4.1.1 Acht KEM-categorieën

De uitwerking van met name de drie nieuwe categorieën is nog in volle gang. Desondanks presenteert dit hoofdstuk alle acht de KEM-categorieën aan de hand van hun doel en de impact die zij realiseren, en geeft het enkele voorbeelden van methoden binnen die categorie. Een verdere uitwerking van de categorieën wat betreft de wetenschappelijke stand van zaken, beperkingen van en de condities waaronder ze kunnen worden toegepast en de methodologische vraagstukken en uitdagingen, volgt in de verkenning.

1. Visie en verbeelding Voor iedere missie is het nodig dat we weten waar we naar op weg zijn. Soms ligt dat doel voor de hand, maar als het gaat om maatschappelijke uitdagingen is het vaak nodig om dat doel te ontwerpen. Door verbeeldingskracht in te zetten om een inspirerend toekomstbeeld zichtbaar en tastbaar te maken, wordt richting gegeven aan de gewenste verandering. KEM’s in deze categorie helpen de huidige wereld in kaart te brengen, nieuwe werelden te verbeelden, en fenomenen en problemen anders te bezien. Ze beantwoorden vragen als: hoe ontwerp je een inspirerend toekomstbeeld? Hoe bepaal je de stappen richting een maatschappelijke missie? Hoe helpt het toekomstbeeld ons richting te geven aan interventies nu en op de middellange termijn? Hoe breng je de belangen van stakeholders samen en ontwerp je een gedragen en gewenste richting?

Twee voorbeelden van KEM’s binnen deze categorie:

  • Frame Innovation (Dorst, 2015): in dit boek beschrijft Dorst de negen stappen die een ontwerper kan doorlopen voor het ontwikkelen van een nieuw frame dat moet bijdragen aan innovatieve oplossingen voor wicked problems.

  • Critical Design (Malpass, 2017): een kritische, experimentele en op theorie gebaseerde benadering van ontwerp die speculatieve ontwerpen inzet om een kritisch perspectief te delen en het publiek in debat te brengen over sociale, culturele of ethische kwesties.

2. Participatie en co-creatie Bij missies zijn veel spelers met uiteenlopende belangen betrokken, van burgers en bedrijven tot overheden en domeinexperts. Het is wenselijk om hen te betrekken in het proces, omdat ze kennis en ervaring kunnen inbrengen, om hen in staat te stellen initiatief te nemen, en om betrokkenheid en draagvlak te realiseren. KEM’s in deze categorie helpen het participatieproces systematisch te doorlopen, om stakeholders te betrekken, en om de context van vraagstukken te analyseren en begrijpen. Ze beantwoorden vragen als: hoe en wanneer moeten de diverse stakeholders in een transitietraject worden betrokken? Hoe moeten we omgaan met de diverse belangen en inzichten van bijvoorbeeld burgers, overheid, industrie en experts? Hoe stimuleren en ondersteunen we burgerinitiatieven? Hoe maken we ze effectief? Hoe gaan we om met eigenaarschap van transitievraagstukken?

Twee voorbeelden van KEM’s binnen deze categorie:

  • Cultural probes (Gaver, Dunne & Pacenti, 1999): co-designtechniek om aan de hand van pakketjes (met een artefact en een suggestieve taak) inspirerende gegevens op te halen over het leven, waarden en gedachten van mensen, en zo de verbeelding van de ontwerper te stimuleren.

  • Multistakeholder model (Utting, 2001): bestuursstructuur waarbij alle stakeholders deelnemen aan de dialoog, besluitvorming en implementatie van oplossingen voor een gemeenschappelijk veranderdoel, waardoor consensus en legitimiteit voor de beslissing ontstaat.

3. Gedrag en empowerment| Om een transitie te laten slagen is vaak een gedragsverandering gewenst, bijvoorbeeld minder vlees eten of minder vliegen. Maar mensen moeten ook in staat worden gesteld om bewuste keuzes te maken. Ze hebben handelingsperspectief nodig om zelf de regie te kunnen nemen. KEM's in deze categorie helpen bij het ontwikkelen, testen en valideren van een interventie om het gedrag van consumenten rechtstreeks (via motivatie) of indirect (via beïnvloeding) te veranderen. Ze beantwoorden vragen als: hoe kom je van attentie naar intentie naar daadwerkelijk gedrag? Hoe zorg je ervoor dat mensen niet terugvallen in oude patronen, maar dat een gedragsverandering onderdeel wordt van een nieuwe routine? Welk type en welke mate van beïnvloeding is wenselijk en moreel aanvaardbaar? Hoe richt je mechanismen in die individuele mensen in staat stellen regie te nemen?

Twee voorbeelden van KEM’s binnen deze categorie:

  • Behaviour Change Wheel (Michie, 2014): methode waarin meerdere theorieën over gedragsverandering zijn samengebracht, en waarmee je door te spelen met de dimensies van het wiel vruchtbare strategieën voor de ontwikkeling van interventies en beleid voor gedragsverandering kunt ontdekken.

  • Persuasive technology (Fogg, 2002): methode waarbij technologie specifiek wordt ontworpen om attitudes en gedrag van gebruikers te veranderen door middel van overtuiging en sociale invloed.

4. Experimentele omgevingen Transities laten zich niet makkelijk sturen en de vraagstukken zijn vaak omgeven met onzekerheden en meerduidige informatie. Om innovaties te kunnen ontwikkelen die transities teweegbrengen, is het nodig dat er ruimte gecreëerd wordt om te experimenteren. Niet alleen om in het beginstadium van het ontwikkelproces het vraagstuk te verkennen en ideeën snel uit te proberen, maar ook om de effecten van ontwikkelde interventies op veranderingen in (nagebootste) levensechte contexten te testen en bij te sturen. KEM’s in deze categorie helpen bij het opzetten van deze experimentele omgevingen, zoals werkplaatsen en fieldlabs, en bieden methoden voor werken en experimenteren. Ze beantwoorden vragen als: hoe kun je een experimentele omgeving opzetten? Aan welke voorwaarden moet een experimentele omgeving voldoen; welke mate van nabootsing is nodig? Hoe dient samenwerking met stakeholders er in projecten in deze setting uit te zien?

Voorbeelden van KEM’s binnen deze categorie:

  • Living lab (Pallot, 2009): methode die onderzoeks- en innovatieprocessen integreert door innovatieve ideeën, scenario's, concepten en technologieën in 'real life' omgevingen en met alle stakeholders te co-creëren, exploreren en evalueren.

  • Digital twin (Saddik, 2018): methode waarbij een digitale replica van een fysieke entiteit naast en in nauw contact met het bronobject bestaat, wat het nauwkeurig monitoren en testen van effecten in de fysieke wereld mogelijk maakt.

  • Fieldlabs (Gijsbers, 2017): fieldlabs zijn praktijkomgevingen waarin bedrijven en kennisinstellingen doelgericht doorbraaktechnologieën ontwikkelen, testen en implementeren, en waarin ze tegelijkertijd leren om deze oplossingen toe te passen. Ze borgen de verbindingen met onderzoek, onderwijs en beleid.

5. Waardecreatie en opschaling De snelheid waarmee transities gerealiseerd kunnen worden, gaat hand in hand met de mogelijkheid en snelheid om nieuwe waarden te creëren. Daarbij spelen de (veranderende) verhoudingen in eigenaarschap en profijt een rol en komen vraagstukken rond sturing en governance in beeld. KEM's in deze categorie helpen om dit proces te structureren, en in een vroege fase te valideren en testen. Ze beantwoorden vragen als: hoe kunnen economische, culturele, maatschappelijke en sociale waarden gecombineerd en geïntegreerd worden? Hoe kan het denken verschuiven van transactie- en productdenken naar denken in delen, diensten en toegang? Hoe kan waarde beschermd en verzilverd worden? Hoe zorg je voor opschaling en versnelling van de waardecreatie en hoe wordt nieuwe kennis optimaal om- en ingezet?

Twee voorbeelden van KEM’s binnen deze categorie:

  • Brand driven innovation (Roscam Abbing, 2010): methode die merk, innovatie en ontwerp verbindt om bedrijven te helpen bouwen aan mensgerichte merken, passend bij hun visie en waarden.

  • Business model canvas (Osterwalder & Pigneur, 2010): strategische tool waarbij de verschillende aspecten van een business model op een gestructureerde manier in kaart worden gebracht, zodat inzicht ontstaat in de afstemming van bedrijfsactiviteiten op klantbehoeften en waardepropositie.

6. Institutionele verandering Naast de wensen en mogelijkheden van burgers en stakeholders in een transitievraagstuk, is ook de organisatie in en rondom de contexten van de vraagstukken van cruciale invloed op de gewenste veranderingen. Organisatiestructuren brengen mogelijkheden en voorwaarden met zich mee, waarbinnen de beoogde interventies moeten landen. KEM’s in deze categorie helpen om inzicht te krijgen in institutionele structuren en processen (organisatiestructuren, besluitvormingsprocedures, etc) - en om structuren en procedures te ontwikkelen die passen bij de veranderingen. Ze beantwoorden vragen als: hoe kun je door middel van beleid en regelgeving de voorwaarden scheppen waarbinnen verandering kan plaatsvinden en wordt gestuurd? Welke mate van sturing is nodig, en gewenst? Hoe kan beleid op een democratische manier worden vormgegeven?

Een voorbeeld van een KEM binnen deze categorie:

  • Institutional design (Alexander, 2005): strategieën voor institutioneel ontwerp, waarbij kennis over de aard en verscheidenheid van institutionele regels die het gedrag van actoren binnen beleidsnetwerken sturen, wordt ingezet om netwerkregels te beïnvloeden.

7. Systeemverandering Transities vragen om een transformatie of kanteling van een bestaand systeem. Kenmerkend aan systemen is dat ze zich slecht laten sturen en onvoorspelbaar zijn. Bovendien kennen systemen een veelheid aan elementen en (onderlinge) relaties en vormen daarmee een complexiteit die zich moeilijk laat beheersen of veranderen. Het ontwikkelen voor en van systemen is daarmee een dynamisch vraagstuk. KEM’s in deze categorie helpen om systeemgericht en toekomstgericht te werk te gaan, en om debat en feedback te ontlokken. Ze beantwoorden vragen als: hoe brengen we de samenhang van economische, maatschappelijke en beleidsmatige krachten en belangen in het systeem in kaart? Hoe en waar kunnen we het best ingrijpen in het systeem om een kanteling te veroorzaken? Hoe zorgen we dat alle elementen uit het systeem op elkaar zijn afgestemd?

Twee voorbeelden van KEM’s binnen deze categorie:

  • Technological innovation system framework (Hekkert et al, 2007): raamwerk dat zich richt op een aantal processen die van groot belang zijn voor goed presterende innovatiesystemen als bepalende factor voor technologische verandering; en een methode om die processen systematisch in kaart te brengen.

  • Transition design (Irwin, 2015): voorstel voor een nieuwe ontwerppraktijk die pleit voor een design-gestuurde aanpak van maatschappelijke transities naar meer duurzame toekomsten, gericht op een volledige herziening en invulling van onze levensstijl, inclusief de bijbehorende omgeving van energiebronnen, economie, gezondheidszorg en onderwijs.

8. Monitoring en effectmeting Vanwege het onvoorspelbare karakter van (veranderingen aan) systemen, is het voor transitievraagstukken bij uitstek relevant om effecten van interventies te meten en te blijven monitoren. Daarmee wordt kennis opgedaan over de manier waarop de interventie zijn werk doet. Deze kennis kan in de iteraties van het proces worden gebruikt om de doorontwikkeling van de interventie bij te sturen. KEM’s in deze categorie helpen om effecten van interventies te meten en de impact op het systeem te monitoren. Ze beantwoorden vragen als: hoe kunnen we de effecten van een interventie op het hele systeem, op korte en op lange termijn, meten en analyseren? Hoe krijgen we ook de onvoorspelbare en onbedoelde effecten en dynamieken in beeld? Hoe kunnen we analyseren welke waarde er door de interventies en veranderingen is gecreëerd?

Voorbeelden van KEM’s binnen deze categorie:

  • N-of-1 studies (McDonald et al, 2017): n-of-1 studies testen interventies op basis van herhaalde metingen van variabelen binnen een individu over de tijd en worden meer en meer ingezet om de langetermijneffecten van interventies voor gezond gedrag te observeren en meten.

  • Life Cycle Analysis (Ciambrone, 1997): methode om de milieueffecten van interventies te beoordelen door alle fasen van de levensduur te analyseren, en daarmee geïnformeerde beslissingen over het ontwerp te nemen.